Friends  |  Press Room  |  Contact Us

The International School for Holocaust Studies

Duitsland’s beeldhouwer
Propaganda en beeldende kunst in het Derde Rijk

Lesplan


Leeftijdsgroep: 15 t/m 18 jaar
Duur: 1 uur

Inhoud :


Rationaal

Deze les biedt studenten de mogelijkheid te onderzoeken hoe kunst en foto’s werden gebruikt als propaganda in nazi-Duitsland.
Door het analyseren van een in 1933 in Duitsland gepubliceerde cartoon worden de leerlingen in de gelegenheid gesteld een primair document te bespreken dat laat zien hoe de beeldende kunst volledig werd onderworpen aan de censuur en controle van het nationaal-socialisme.
Ze zullen leren over de arisering van de kunst in nazi-Duitsland, kunst die door de nazi’s werd aangeprezen in tentoonstellingen, parades en monumentale beelden alswel kunst die “ontaarde” kunst werd genoemd: moderne kunst die belachelijk werd gemaakt en uiteindelijk verboden.
Tenslotte worden de leerlingen gestimuleerd om kritisch te kijken naar foto’s – om zo hun boodschappen te interpreteren.

Didaktische doelstellingen

In deze les zullen de studenten:

  • een politieke cartoon analyseren uit het Duitsland van de jaren ’30;
  • propaganda leren definieren en de tactieken en strategiëen van manipulatie leren herkennen;
  • ontdekken hoe het nazi-regime beeldmateriaal als krachtig propagandamiddel gebruikte om haar ideologie te promoten (het bieden van een podium voor raciale superioriteit) en haar sociale en politieke agenda te bevorderen;
  • leren hoe afbeeldingen ‘gelezen’ en geanalyseerd moeten worden voor hun inhoudelijke en esthetische waarde;
  • belangrijke vraagstukken bespreken over de relatie tussen kunst en politiek, staatscensuur en vrijheid van meningsuiting.

Stap 1: Bekijk de cartoon. Let goed op de aangehechte notitie voor de onderwijzer.
Stap 2: Lees het artikel “Historische Achtergrond: De strijd om de kunst in nazi-Duitsland.”
Stap 3: Beantwoord de vragen.

De les

Kijk goed naar de volgende afbeelding. Het is een cartoon die bestaat uit vier kaders met een onderschrift. Beschrijf wat in elk kader gebeurt en beantwoord vervolgens de vragen.
In 1933, het jaar dat Adolf Hitler aan de macht kwam, werd deze cartoon gepubliceerd in een rechtse, satirische krant in Duitsland. Het onderschrift duidt Hitler aan als ‘Duitsland’s beeldhouwer’.

O. Garvens, "Duitsland’s beeldhouwer"
O. Garvens, "Duitsland’s beeldhouwer"[1]

Discussievragen

  • In deze cartoon wordt een verhaal verteld. Welk verhaal?
  • Er worden twee kunstenaars getoond. Hoe zou je elke kunstenaar omschrijven? Welke verschillen (qua kleding, gezichtsuitdrukking, stand van de ogen, houding, lichaamstaal) kun je waarnemen?
  • Hoe wordt de ‘moderne kunstenaar’ neergezet in deze cartoon?
  • Wat is een karikatuur? Hoe wordt dit hier gebruikt en met welk effect?
  • Hoe wordt door de tekenaar van deze cartoon gebruik gemaakt van antisemitische stereotypen? Waarom denk je dat hij deze stereotypen gebruikt? Denk je dat dit effectief is?
  • Hoe kun je de verschillen tussen de twee soorten kunstwerken omschrijven?
  • Hoe is de cartoon opgezet? Waarop wordt met deze compositie het accent gelegd?
  • Hitler is één van de ‘kunstenaars’ die worden getoond. In het onderschrift wordt hij omschreven als ‘Duitsland’s beeldhouwer’. Wat is de rol van kunst in nazi-Duitsland?
  • Wat is de relatie tussen kunst en macht?
  • Welke boodschap wordt in deze cartoon afgegeven met betrekking tot de relatie tussen kunst en macht?
  • De nazi’s gebruikten verschillende soorten propaganda om hun boodschap aan het volk over te brengen. Wat zijn de voordelen van beeldmateriaal (zoals deze cartoon, foto’s, films en affiches) als propaganda? Hoe wordt beeldmateriaal tegenwoordig gebruikt als propaganda?
  • Wat vertelt deze cartoon ons over de houding van de nazi’s ten opzichte van de vrijheid van meningsuiting? Wat suggereert deze cartoon over de rol van individu, debat en verdeeldheid binnen het nationaal-socialisme?

Onderzoeksonderwerpen

  • De cartoon is getekend en gepubliceerd in 1933. Zoek andere gebeurtenissen die plaatsvonden in 1933 in de “Chronology of the Holocaust,” en “Nazi Germany and the Jews, 1933-1939.” Vertel in de klas over de context waarin deze cartoon werd gemaakt.
  • Het beeld dat Hitler maakt lijkt veel op de klassieke Grieks-Romeinse beelden uit de Oudheid. Waarom is dit belangrijk? Onderzoek nazi-/fascistische kunst en vertel je bevindingen aan de klas.

Notitie voor de onderwijzer:

Deze cartoon in vier kaders is gemaakt door O. Garvens in 1933 en toont een kunstenaar met typisch Joodse trekken (klein en gedwee, met bril en een grote neus), die een beeld aan Hitler laat zien waarin een massa van smalle figuurtjes in elkaar verstrengeld is. In het tweede kader geeft Hitler, gekleed in een kiel die hij over zijn uniform draagt, zijn oordeel: hij stompt op het beeldhouwwerk en verpulvert het met zijn vuist, tot grote schrik van de kunstenaar. In het derde kader heeft Hitler de plaats van de kunstenaar geheel ingenomen. De ‘Joodse’ moderne kunstenaar is geëlimineerd: zijn alternatieve ‘visie’ of ‘stem’ is tot zwijgen gebracht. Het geweld van de Führer-kunstenaar en de verdwijning van de Joodse kunstenaar geven inzicht in wat de nazi’s in petto hadden voor de Joden en hun kunst. Hitler zelf herschept het ruwe materiaal tot een nieuw krachtig en heroïsch figuur, waarmee hij de wemelende, drukke massa vervangt door één verenigd nationaal lichaam en één verenigd nationaal doel: Ein Volk, ein Reich, ein Führer. In het laatste kader bekijkt Hitler zijn werk, waarbij hij letterlijk opkijkt naar zijn creatie, die een autoritaire uitstraling heeft. Het kolossale beeld is de belichaming van de Duitse natie.
De sculptuur die Hitler in de cartoon maakt illustreert de nazi-kunst: overdrachtelijke, geïdealiseerde, monumentale werken, gemaakt van traditionele materialen zoals marmer and olieverf uit de klassieke periode. Die waren niet bedorven door Joodse invloeden (zie Addendum nr. 1 over Josef Thorak en Arno Breker voor voorbeelden van nazi-sculpturen).

Josef Thorak, Kameraadschap (1937) Josef Thorak, Kameraadschap (1937)

Experts in nazi-propaganda zien Hitler in vele rollen: als militair leider, politicus, redder en als vriendelijke, zorgzame vaderfiguur. Deze cartoon toont een ander persoon dat Hitler zelf graag wilde zijn: de kunstenaar en beschermer van de kunsten. Hitler zag zichzelf als politiek- en cultureel leider van het Duitse Volk. Hij koos persoonlijk werken uit voor de jaarlijkse Deutsche Kunstausstellung (Duitse Kunst Tentoonstelling). Hij wijdde zes toespraken (die op pamfletten werden afgedrukt) aan de kunst, met titels als ‘Kunst en politiek’ en ‘Duitse kunst als de meest trotse rechtvaardiging van het Duitse volk’. Hij gaf opdracht tot het bouwen van musea voor de kunsten en hield hier persoonlijk toezicht op. Zijn eigen werken verklaarde hij tot ‘werken van nationaal belang’.[2] Inderdaad verklaarde de nationaal-socialistische krant Hakenkreuzbanner op 10 juni 1938: “De Goddelijke Voorzienigheid heeft het Duitse volk alles gegeven, verenigd in één man. Hij is niet alleen een sterk staatsman, een vindingrijk soldaat, de eerste arbeider en econoom, maar – en dit is wellicht zijn grootste kracht – hij is ook een kunstenaar. Hij komt uit de wereld van de kunst, waar hij zich geheel aan wijdde: vooral de architectuur, als schepper van grote gebouwen. En nu is hij ook de bouwer van het Rijk geworden.”

Arno Breker, Het leger en de partij, 1939. Arno Breker, Het leger en de partij, 1939.

Garvens’ cartoon zet Hitler neer als een beeldhouwer, die letterlijk een nieuwe natie, een nieuw Arisch ideaal schept. In april 1933 zou Goebbels dezelfde analogie maken: “Politiek is ook een kunst…en wij, degenen die het huidige Duitse beleid vormgeven, voelen ons kunstenaars die de verantwoordelijke taak op zich hebben genomen één volk te vormen uit het ruwe materiaal van de massa. Het is de taak van de kunstenaar om vorm te geven, te scheppen, het zieke te verwijderen en zo de weg vrij te maken voor het gezonde.”[3]
Deze cartoon laat zien welke centrale plaats kunst inneemt in het Derde Rijk. Het toont ook de extreme maatregelen die werden genomen in de campagne tegen moderne kunst: het feit dat de promotie van de Arische cultuur hand in hand ging met de onderdrukking van alle andere vormen van artistieke expressie. Zoals Hitler aankondigde bij de opening van het Haus der Deutschen Kunst (Huis van Duitse Kunst) in de zomer van 1937: “Ik verklaar hierbij dat ik grote schoonmaak ga houden in het artistieke leven in Duitsland.”[4]
Voor wat ideeën, zie Addendum nr. 1.

Historische achtergrond: De strijd om de kunst in nazi-Duitsland

Propaganda is bevooroordeelde informatie, ontworpen om de meningen en het gedrag van mensenmassa’s te vormen. Nazi-propaganda wordt vaak geassocieerd met Hitlers toespraken of met bekende nazi-films zoals Leni Riefenstahl’s Triumphe des Willens (1934). Propaganda kan echter vele vormen aannemen. Kunst, beelden en foto’s werden gebruikt door nazi-leiders om ideeën te verspreiden, informatie te controleren en de publieke opinie te beïnvloeden.

Foto’s hebben een enorme impact en zijn zeer effectief voor propaganda-doeleinden, omdat ze meer aandacht trekken, informatie snel doorgeven, makkelijker in het geheugen blijven hangen, emoties oproepen en omdat ze makkelijker gereproduceerd en verspreid kunnen worden door middel van massamedia. Hitler begreep de kracht van kunst als propagandamiddel als geen ander. In Mein Kampf schreef hij: “Propaganda is een ontzettend wapen in de hand van wie het weet te hanteren… Iedere propaganda moet populair zijn en haar intellectueel peil instellen op het begripsvermogen van de meest achterlijke onder diegenen, tot wie zij zich wenst te richten.”[5]
Zoals de cartoon van Garvens ook doet, kunnen foto’s en afbeeldingen complexe, abstracte ideeën in één klap specifiek en concreet maken.

Philipp Rupprecht – alias Philipp Rupprecht – alias "Fips "- in Julius Streicher’s Der Stürmer, december 1929.

Cartoons zoals in deze les, waren een belangrijk hulpmiddel voor nazi-propaganda. Ze maakten een tweedeling in de wereld tussen rein en onrein, perfect en bedorven, en gebruikten symbolen en stereotypen om deze verschillen aan te duiden. Garvens’ cartoon zet het onreine, gekromde Joodse lichaam van de moderne kunstenaar naast het reine, gezonde Arische lichaam van Hitler’s beeld, dat het nazi-concept van de ‘Nieuwe Mens’ voorstelt.[6]
Omdat het breed werd ingezet speelde de beeldpropaganda van de nazi’s een sleutelrol in het beïnvloeden van de publieke opinie, hetgeen uiteindelijk de Holocaust mogelijk maakte: het bevorderde nationale trots en solidariteit, maar tegelijkertijd zien we ook het inspelen op en koesteren van diepe antisemitische gevoelens.

Duitsland (in Yad Vashem Holocaust Resource Center, Gates of Knowledge, Nazi Racism and Antisemitism) Duitsland (in Yad Vashem Holocaust Resource Center, Gates of Knowledge, Nazi Racism and Antisemitism)

De beleidsmakers in Duitsland beschouwden kunst als één van de belangrijkste elementen in de opbouw van het Derde Rijk. Er werd hoge waarde toegekend aan de beeldende kunsten in alle vormen: ze werden gepromoot door de staat en wijd verspreid in boeken, op pamfletten, ansichtkaarten en postzegels. Ze namen een prominente plaats in bij publieke ceremonies. Zoals Hitler verklaarde bij de opening van het Haus der Deutschen Kunst in de zomer van 1937: “Wij waren degenen die deze staat schiepen en sindsdien hebben we grote sommen geld uitgetrokken voor het promoten van kunst. We hebben de kunst een geheel nieuwe taak gegeven.” [7]
Het esthetische element lag in het hart van de nazi-ideologie en hun droom om een mooiere, hygiënische, zuivere wereld te creëeren.
Controle over de kunst stond centraal in het totalitaire regime van de nazi’s. In 1933, direct nadat de NSDAP aan de macht kwam, richtte Hitler een ministerie van Propaganda op, onder leiding van Joseph Goebbels. Als Rijksminister van Volksopvoeding en Propaganda begon Goebbels met de gelijkschakeling (Gleichschaltung) van de cultuur, om zo alle kunsten in lijn te brengen met de doelen van het nazisme. Onder zijn leiding hield de Reichskulturkammer alle aspecten van de Duitse cultuur in de gaten – pers, onderwijs, muziek, film, theater en beeldende kunst. Om raciale homogeniteit en ideologisch conformisme te verzekeren, moest elke professionele kunstenaar lid zijn van de Reichskulturkammer. Onafhankelijke organisaties waren niet toegestaan.

München, Duitsland, Mensen wachten voor de ingang van de tentoonstelling Entartete Kunst, 1937. Yad Vashem Photo Archive. München, Duitsland, Mensen wachten voor de ingang van de tentoonstelling Entartete Kunst, 1937. Yad Vashem Photo Archive.

De nationaal-socialisten bekritiseerden zo ongeveer alle kunst van voor 1933, om zo de cultuur van de Weimar Republiek in diskrediet te brengen. Omdat moderne kunst werd geïdentificeerd met internationalisme en progressieve politiek, betitelde het nazi-regime het als intellectueel, elitair, buitenlands en Joods – en stond het daarmee dus symbool voor de krachten die Duitsland hadden vernederd.
Joodse, buitenlandse en moderne kunstenaars werden als ‘ontaard’ beschouwd. Ze werden op een zwarte lijst geplaatst en benoemd tot vijanden van de staat: het regime beschouwde hen als een bedreiging voor het gezonde lichaam van de Duitse natie. Systematische, geïnstitutionaliseerde aanvallen op de moderne kunst begonnen. In het eerste jaar werd het veel kunstenaars verboden nog langer te werken (zie Addendum nr. 2); professoren werden ontheven van hun post op de Academie; kunstcritici werden gecensureerd of ontslagen; museumdirecteuren en curators werden vervangen door leden van de nazi-partij. De vleugel der moderne kunst van de Nationalgallerie in Berlijn werd gesloten, evenals het Bauhaus.[8]
Op 10 mei 1933 organiseerden leden van de nationaal-socialistische Duitse Studentenvereniging landelijke boekverbrandingen, waarbij de werken van Joodse en bepaalde Duitse schrijvers die door de nazi’s werden beschouwd als ‘on-Duits’, werden verbrand. Kunstenaars werden vervolgd, verbannen, gevangen gezet of zelfs omgebracht vanwege de inhoud of de stijl van hun werk, hun politieke overtuiging, seksuele geaardheid of religieuze gezindte.

Het Haus der Deutschen Kunst. München, Duitsland. Yad Vashem, Photo Archive Het Haus der Deutschen Kunst. München, Duitsland. Yad Vashem, Photo Archive

In de zomer van 1937 vaardigde Goebbels een bevel uit waarin hij Adolf Ziegler[9] en een vijfhoofdige commisie de autoriteit gaf om alle Duitse musea en openbare collecties uit te kammen op zoek naar ‘ontaarde’ werken. In totaal confisceerde de Aktion Entartete Kunst[5] meer dan 16.000 kunstwerken uit meer dan 32 Duitse musea en openbare collecties. Zeshonderdvijftig hiervan (afkomstig van 112 verschillende kunstenaars) werden gebruikt voor een speciale ‘educatieve’ tentoonstelling genaamd Entartete Kunst (Ontaarde Kunst), die op 18 juli 1937 in de Hofgarten in München opende. De tentoonstelling reisde in vier jaar tijd naar elf plaatsen in Duitsland en Oostenrijk en werd door maar liefst 3 miljoen mensen bezocht. Het doel van de tentoonstelling was het publiek een afkeer te laten krijgen van moderne kunst en hen warm te laten lopen voor de campagne waarmee de Duitse cultuur gezuiverd moest worden van verontreinigende invloeden.

Hitler bezoekt de Grosse Deutsche Kunstausstellung, 16/7/1939. Yad Vashem, Photo ArchiveHitler bezoekt de Grosse Deutsche Kunstausstellung, 16/7/1939. Yad Vashem, Photo Archive

De Grosse Deutsche Kunstausstellung (de Grote Duitse Kunsttentoonstelling) opende een dag eerder dan de Entartete Kunst-tentoonstelling, aan de overkant van de straat, en moest fungeren als hét voorbeeld van hoe het wel moest. De tentoonstelling, gesitueerd in het pas gereed gekomen Haus der Deutschen Kunst was de eerste van acht jaarlijkse tentoonstellingen die moesten laten zien wat het Derde Rijk beschouwde als Duitsland’s mooiste kunst.[6] Het Haus der Deutsche Kunst was een monumentaal neo-klassiek gebouw en werd als eerste toegeëigend door het nazi-regime. Op de openingsceremonie in oktober 1933 verklaarde Hitler het tot ‘een tempel die de nieuwe Duitse kunst zal huisvesten’. De drie dagen voor de opening van de jaarlijkse Deutsche Kunstausstellung vierde München met groot vertoon ‘Tag der Deutsche Kunst’, gedrapeerd in vlaggen en banieren. Kosten noch moeite werd door de staat gespaard voor allerlei spectaculaire ceremonies. Een optocht met monumentale klassieke standbeelden van papier-maché, verklede strijders van het Teutoburger Wald en Rijnse meisjes introduceerde ‘Zweitausend Jahre Deutsche Kultur’ (Tweeduizend jaar Duitse cultuur).

  • Wij zijn erg benieuwd naar uw commentaar en feedback. U kunt contact met ons opnemen via: daniel.rozenga@yadvashem.org.il
  • Als u zich wilt abonneren op de nieuwsbrief van de International School for Holocaust Studies, kijk dan op onze e-Newsletter page.

[1] Het blad ‘Kladderadatsch’ was een toonaangevend Duits satirisch weekblad, dat zich snel aanpaste aan het nationaal-socialisme. Het prees Adolf Hitler voor zijn patriottische inslag na het mislukken van de Putsch in 1923. In het begin van de jaren ’30 steunde Kladderadatsch Hitler’s beleid volledig en beschuldigde het de sociaal-democraten ervan Duitsland te willen vernietigen. Cartoons in het weekblad werden steeds antisemitischer en extreem-rechtser. De cartoon is deels overgenomen in Eric Michaud, The Cult of Art in Nazi Germany. Trans. Janet Lloyd. Stanford University Press, 2004, illustratie nummer. 2, waar hij te zien is zonder onderschrift. De cartoon wordt correct weergegeven in Frederic Spotts, Hitler and the Power of Aesthetics. Woodstock and New York: The Overlook Press, 2009, p. 97.
[2] Citaat van Henry Grosshans, Hitler and the Artists. Holmes and Meier, 1983, p. 10.
[3] Correspondentie tussen Wilhelm Furtwängler en Joseph Goebbels, april 1933. Bron van Engelse vertaling: Jeremy Noakes en Geoffrey Pridham, eds., Nazism, 1919-1945, Vol. 2: State, Economy and Society 1933-1939. Exeter: University of Exeter Press, 2000, pp. 213-15. Bron van Duitse tekst: Deutsche Allgemeine Zeitung, 11 april 1933; herdrukt in Paul Meier-Benneckenstein, ed., Dokumente der deutschen Politik, Volume 1: Die Nationalsozialistische Revolution 1933, edited by Axel Friedrichs. Berlin, 1935, pp. 255-58. Online @ http://germanhistorydocs.ghi-dc.org/sub_document.cfm?document_id=1574
[4] Hitler’s toespraak bij de opening van het Huis der Duitse Kunst in München (18 juli 1937). Deze tekst werd (bijna geheel) herdrukt in de catalogus van de Entartete Kunst-tentoonstelling. Engelse vertaling: Benjamin Sax and Dieter Kuntz eds. Inside Hitler’s Germany: A Documentary History of Life in the Third Reich. Lexington, MA and Toronto: D.C. Heath & Company, 1992, pp. 224-32.
[5] In hoofdstuk 6 van Mein Kampf (1924) besprak Hitler het gebruik van propaganda tijdens de Eerste Wereldoorlog, en hij becommentarieerde de functie van propaganda in het algemeen. Adolf Hitler, Mein Kampf, vertaald door Ralph Manheim. Boston: Houghton Mifflin Company, 1943.
[6] Op het Partijcongres in 1935 in Neurenberg (waar tevens de Neurenberger Wetten werden aangekondigd), verklaarde Hitler: “Wij moeten een Nieuwe Mens creëeren, zodat ons ras niet ten prooi zal vallen aan het fenomeen van bederf zoals we zo vaak zien in deze moderne tijden.”
[7] Hitler’s toespraak (18 juli 1937). In 1936 verklaarde Hitler in Neurenberg: “Kunst is de enige ware, eeuwige investering van menselijke arbeid.”(cit. in Berthold Hinz, Art in the Third Reich. Pantheon, 1972. intro.)
[8] Het Bauhaus was een in 1919 door de architect Walter Gropius opgerichte school, die ernaar streefde handwerk te verenigen met de schone kunsten en technologie, door middel van het idee een ‘totaal’ kunstwerk te maken waarin alle kunsten (inclusief architectuur) zouden worden samengebracht. De Bauhaus-stijl werd één van de meest invloedrijke stijlen in het modernisme: het moedigde experimenteren aan en neigde naar abstractie. Daarom kwam het onder vuur te liggen toen de nazi’s aan de macht kwamen: het was kosmopolitisch en bedorven door buitenlandse, Joodse invloeden. Na de gedwongen sluiting emigreerden vele studenten en stafleden van de school naar het buitenland.
[9] Adolf Ziegler was de belangrijkste schilder van het Derde Rijk en Hitler’s persoonlijke favoriet. Zijn schilderij ‘De Vier Elementen’ hing in Hitler’s woonkamer en hij werd onderscheiden met het Gouden Ereteken, de hoogste onderscheiding in de NSDAP. Als voorzitter van de Reichskulturkammer fur Bildenden Künste had hij de leiding over de organisatie van de Entartete Kunst-tentoonstelling in München. Hij verbande expressionisten zoals Karl Schmidt-Rottluff en verbood hem alle artistieke activiteit, ‘zowel professioneel als amateuristisch’. Zie zijn brief aan Schmitt-Rottluff in Addenda nr. 2.